• Propamocarb wordt door het blad en de stengel opgenomen en opwaarts met de sapstroom meegevoerd, waardoor het product zich na toepassing herverdeelt in het blad. Dit zorgt ervoor dat het jonge blad dat na de behandeling verder uitgroeit, volledig beschermd is.
• Na het opdrogen is propamocarb ongevoelig voor afregenen.
• Propamocarb grijpt in op 4 verschillende plaatsen in de ziektecyclus:
- het voorkomt sporenkieming.
- het reduceert de myceliumgroei in het blad.
- het voorkomt de vorming van sporendragers (sporangia).
- het beperkt vrijwel volledig de sporenproductie.
• Na een infectie is propamocarb in staat om:
- een anti-sporulerende werking te verzekeren.
- de groei van het mycelium sterk te vertragen.
• Chloortalonil heeft een contactwerking en verhindert de sporenkieming.
• Het heeft ook een goede werking tegen alternaria.