APPEL
Calypso kan succesvol ingezet worden ter bestrijding van wantsen, bladrandkevers, verschillende bladluizen, schildluizen en appelzaagwesp. Bovendien heeft het product een ovicide werking op de fruitmot. De uiterst geringe toxiciteit t.o.v. bijen laat toe om het middel op een flexibele manier in een bestrijdingsschema appel te gebruiken. Voor de bestrijding van wantsen is deze flexibele positionering zeker een voordeel. De eitjes van wantsen ontluiken (in Limburg) meestal op het einde van de bloei en vooral de L3 larfjes doen eerst schade aan scheuttoppen en nadien aan vruchtjes. Bij vaststellen van wantsenschade in de bloei kan een bespuiting in de afbloei de groene appelwants zeer efficiënt bestrijden.
Zaagwesp komt weer meer op de voorgrond en legt eitjes onder de kelkslippen; de maden boren vruchtjes aan en de onderhuidse mineergang vormt de “hoefijzertjes”. Na de bloei gespoten, bestrijdt Calypso zaagwesp zeer goed.
Fruitmot: behandel bij begin vluchten. Calypso heeft een goede ovicide werking en een nawerking van 3 weken op eitjes die na de behandeling afgelegd worden.
Kommaschildluis: behandel tijdens de migratie van de jonge larven. Larven die zich pas vastgezet hebben, worden nog afgedood.
Calypso heeft weinig nawerking op schildluis: indien 2 behandelingen nodig zijn, gebruik eerst ENVIDOR (bij begin migratie) en na 10 dagen CALYPSO.
Dosis: 250 ml/ha haag of 375 ml/ha standaardboomgaard, inclusief wendakkers; max. 2 bespuitingen per seizoen.
Wachttijd: 14 dagen.
Driftreducerende maatregelen : bufferzone van 20 m. met 90 % driftreducerende techniek.
PEREN
Voor de bestrijding van perenbladvlo (Psylla pyricola + Psylla pyri) en wantsen.
Opm. :
Een behandeling met Calypso voor de bloei en /of na de pluk biedt een selectiviteit in de tijd: op dat ogenblik zijn geen larven of volwassen roofwantsen (Anthocoridae) aanwezig; de ontluiking van de eitjes van de roofwants vindt plaats na de bloei en de roofwantsen verlaten de boomgaard meestal in september-october.
Ter bestrijding van perebladvlo (Psylla pyri/Psylla pyricola)
Toepassen op de jonge larven van de eerste generatie voor de bloei (BBCH 54-59) als correctiemiddel of op de laatste perebladvlo-generatie na de pluk (vanaf BBCH 89) wanneer geen roofwantsen (Anthocoridae) aanwezig zijn.
Opm.: schadedrempel voor toepassing voor de bloei: indien 30 % van de bloemklusters is aangetast door perebladvlo en 30 % van deze aantasting bestaat uit L1 larven.
Ter bestrijding van de groene appelwants (Lygus pabulinus)
Toepassen indien larven aanwezig zijn, tot het stadium witte knop (BBCH 57).
Dosis: 250 ml/ha fruitboomhaag – max. 2 toepassingen per seizoen
Veiligheidstermijn voor de oogst: 14 dagen.
Driftreducerende maatregelen : bufferzone van 20 m. met 90 % driftreducerende techniek.
AARDBEIEN IN OPEN LUCHT
Voor de bestrijding van bladluizen en wantsen.
Verschillende luizensoorten kunnen schade aanrichten in de aardbeiteelt. De meeste luizen geven schade rond de bloei. Een belangrijke luis die meer en meer voorkomt zowel in aardbeien in open lucht als in aardbeien onder bescherming en die niet bestreden wordt met de huidige luizenmiddelen is de gele rozenluis (Rhodobium porosum).
Calypso is veilig voor bijen en hommels en kan dus tijdens de bloei ingezet worden.
Dosis: 250 ml/ha ; maximum 2 bespuitingen per seizoen.
Wachttijd: 3 dagen
Driftreducerende maatregelen : bufferzone van 20 m.
AARDBEIEN (onder bescherming)
- ter bestrijding van bladluizen (Chaetosiphon fragaefolii, Macrosiphum euphorbiae, Rhodobium porosum, Aphis gossypii, Ericaphis imbriata)
Toepassen wanneer stammoeders van de luizen aanwezig zijn of wanneer kolonisatie van de stengels en de bladeren van de jonge scheuten plaatsvindt.
- ter bestrijding van wantsen (Miridae), van bloesemkevers (Anthonomus) en witte vliegen (Trialeurodes vaporariorum en Bemisia tabaci)
Dosis: 25 ml/100 l water of 250 ml/ha. 1 à 2 toepassingen met een interval van 7 dagen.
Veiligheidstermijn voor de oogst: 1 dag
KERSEN, KRIEKEN en PRUIMEN
Voor de bestrijding van de kersenvlieg en bladluizen. Tegen kersenvlieg, behandel vanaf begin kleuring van de vruchten.
Dosis : 0,25 l/ha haag of 0,4 l/ha standaardboomgaard, incl. wendakker; max. 2 bespuitingen per seizoen.
Wachttijd: 14 dagen
Driftreducerende maatregelen : bufferzone van 20 m. met 90 % driftreducerende techniek.
BESSEN (WITTE, RODE, ZWARTE, STEKELBESSEN, BOSBESSEN)
Voor de bestrijding van bladluizen, wantsen en dop-, schild en wolluizen.
Dosis : 0,25 l/ha haag. Dit komt overeen met 0,4 à 0,5 l/ha grondoppervlakte; max. 2 bespuitingen per seizoen.
Wachttijd: 3 dagen
Driftreducerende maatregelen : bufferzone van 20 m. met 50 % driftreducerende techniek.
BRAAMBESSEN en FRAMBOZEN
Voor de bestrijding van bladluizen, wantsen en dop-, schild en wolluizen.
Dosis : 0,25 l/ha haag. Dit komt overeen met 0,4 à 0,5 l/ha grondoppervlakte; max. 2 bespuitingen per seizoen.
Wachttijd: 3 dagen
Driftreducerende maatregelen : bufferzone van 20 m. met 50 % driftreducerende techniek.
ASPERGES
Voor de bestrijding van de aspergekever en bladluizen na de oogst.
Dosis: 0.25 l/ha ; 1 à 2 toepassingen met een interval van 14 - 21 dagen
Driftreducerende maatregelen : bufferzone van 10 m. bij teelt in open lucht
BIESLOOK (onder bescherming)
Voor de bestrijding van bladluizen.
Dosis: 0.25 l/ha ; maximum 1 bespuiting per seizoen.
Wachttijd : 14 dagen
BLEEKSELDER (open lucht)
Voor de bestrijding van bladluizen.
Dosis: 0.25 l/ha ; maximum 2 bespuitingen per seizoen.
Wachttijd : 14 dagen
Driftreducerende maatregelen : bufferzone van 10 m.
KNOLSELDER
Voor de bestrijding van bladluizen.
Dosis: 0.25 l/ha ; 1-2 toepassingen met een interval van 14-21 dagen; maximum 2 bespuitingen per seizoen.
Wachttijd : 14 dagen
Driftreducerende maatregelen : bufferzone van 10 m.
PETERSELIE en KERVEL (onder bescherming)
Voor de bestrijding van bladluizen.
Dosis: 0.25 l/ha ; maximum 1 bespuiting per seizoen.
Wachttijd : 14 dagen
RUCOLA (onder bescherming)
ter bestrijding van bladluizen (Aphididae) Maximum 1 toepassing.
ter bestrijding van snuitkevers (Curculionidae). Maximum 2 toepassingen
Dosis: 0,25 l/ha. Veiligheidstermijn voor de oogst: 14 dagen
Maximum 3 toepassingen per jaar
SLA, ANDIJVIE, RADICCHIO ROSSO, SUIKERBROOD (onder bescherming)
Voor de bestrijding van bladluizen.
Dosis: 0.25 l/ha ; max. 3 bespuitingen per seizoen; max. 1 toepassing per teelt
Wachttijd : 14 dagen
VELDSLA (onder bescherming)
Voor de bestrijding van bladluizen.
Dosis: 0.25 l/ha ; max. 3 bespuitingen per seizoen; 1-2 toepassingen per teelt
Wachttijd : 14 dagen
TOMATEN, PAPRIKA'S, KOMKOMMERS, AUBERGINES, COURGETTES (onder bescherming)
Door druppelen tegen bladluizen (alle soorten) en witte vlieg (Trialeurodes vaporariorum, Bemisia tabaci) als complementaire inzet met de biologische bestrijding.
Dosis : 20 ml/1000 planten (stengels) meedruppelen; Max. 2 toepassingen per seizoen.
Wachttijd voor de oogst: 3 dagen
Niet toepassen voor 1 maart (risico voor fytotox in lichtarme periode)
Enkel toepassen op anorganische substraten (steenwol), niet op organische substraten (kokos) daar het middel zich sterk bindt aan het humus-complex.
Er is een negatief effect mogelijk op Encarsia formosa en Macrolophus. Daarom eventueel plaatselijk behandelen.
AROMATISCHE KRUIDEN (MUNT, BASILICUM, MARJOLEIN, OREGANO, SALIE, TIJM)
Voor de bestrijding van bladluizen en kevers
Dosis: 0.25 l/ha ; max. 1 toepassing per teelt
Wachttijd : 14 dagen
Opm. Om gewasbeschadiging te voorkomen is het aangeraden een test te doen op enkele plantjes alvorens het volledige veld te behandelen
SIERPLANTEN
Voor de bestrijding van de witte vlieg (Trialeurodes vaporariorum, Bemisia tabaci). Calypso werkt voornamelijk tegen de larven, minder tegen volwassenen. De onderkant van de bladeren goed raken en de behandeling herhalen na 10 tot 14 dagen.
Voor de bestrijding van:
- bladluizen, wantsen, dop-, schild- en wolluizen, bloesemkevers en snuitkevers : de waterhoeveelheid per ha aanpassen aan de hoogte en de dichtheid van het gewas, minimum 1000 l/ha spuitoplossing toepassen.
- buxusbladvlo: bij de ontluiking van de wintereieren, gericht op de L1-larven.
- beukenbladluis: bij het verschijnen van de bladluizen in de lente en bij aanwezigheid van voldoende receptief blad en groei om de systemiciteit van het middel te benutten.
Speciale voorwaarde: maximum 2 bespuitingen per seizoen.
Dosis: 25 ml/100 l water, hetzij 0,25 l/ha voor 1000 l water/ha.
Bij een dicht gewas de dosis en de hoeveelheid water verhogen.
Driftreducerende maatregelen : bufferzone van 20 m. bij teelten in open lucht